Met korrels op snoek

door Hans Wynant

Iedereen herkent zich wel als ik zeg dat we ons meermaals op een visdag in het denkpatroon van een snoek verplaatsen. Sommige zaken willen we als visser met exacte wetenschap benaderen, maar een vis is en blijft een instinctief wezen. Naar het voortplantingsgedrag van de snoek is wel al heel wat wetenschappelijk onderzoek gebeurd en hier wil ik graag even bij stil staan.

Half april 2007 brachten we met een groep VRF-leden, Vlaamse Roofvisfederatie, een bezoek aan de experimentele viskwekerij van het INBO in Linkebeek, België. In dit centrum worden vissoorten gekweekt die in hun voortbestaan in Vlaanderen bedreigd of uitgestorven zijn, en/of een ecologisch waardevol karakter hebben. Zo heeft de snoek, spijtig genoeg, zijn plaats sinds enige jaren binnen het centrum.

Het centrum beschikt over enkele grotere vijvers die in het teken staan van de visteelt. Eind februari begin maart worden deze vijvers afgezet met netten om de snoeken af te vissen en in opwarmvijvers te plaatsen. De mannetjes strikt gescheiden van de vrouwtjes, want er is maar één mannetje nodig om de paai op gang te brengen. Het herkennen van een vrouwtjessnoek van een mannetjessnoek is op dat ogenblik het eenvoudigst. Een fel rood gezwollen aars duidt op het vrouwelijk geslacht. Na het paaien verdwijnt dit en is er onder de kleine snoeken amper een onderscheid te maken tussen mannelijke en vrouwelijke snoeken.

Gedurende de paaiperiode is de watertemperatuur gestegen tot 9 à 10 °C, de ideale temperatuur voor de voorplanting van de snoek. Maar minstens even belangrijk als de watertemperatuur is de daglengte en deze triggert de voortplanting rond eind maart, begin april. Door de extreem zachte winter van 2006-2007, waren de snoeken dit jaar reeds paairijp begin maart. De snoeken zijn paairijp vanaf hun derde levensjaar. Tot hun 10 à 12 jaar is de kwaliteit van de eieren en de hom goed te noemen. Daarna neemt de kwaliteit enorm af. De snoek is een zeer stressgevoelige vis, zo zal hij niet paaien wanneer hij zich niet kan verschuilen. De snoek heeft met andere woorden beplanting nodig. Maar ook voor de snoeklarven is het aanwezig zijn van beplanting levensnoodzakelijk.>

Eens in de opwarmvijvers worden de snoeken dagelijks getest op het paairijp zijn. Dit gebeurt eenvoudigweg door met de duim licht drukkend over de buik te wrijven. Indien er op dat ogenblik eitjes worden afgescheiden, zal men overgaan tot het volledig afstrijken van het snoekwijfje. De eitjes worden dan droog in een kom opgevangen. Na het afstrijken van meerdere vrouwtjes, strijkt men bij één mannetje de hom af. Het is verbazingwekkend hoe weinig hom er slechts nodig is om de tienduizenden eitjes te bevruchten.

Nu vermengt men langzaam de hom met de eieren door voorzichtig met een veer te roeren. Later voegt men een hoeveelheid water toe en nu pas heeft de bevruchting plaats en laat men de eieren gedurende 10 min rusten. Je ziet met het blote oog hoe de eieren het water opnemen en opzwellen. Nu brengt men de bevruchte eieren onder in het broedhuis waar ze in incubatieflessen continu voorzien worden van zuurstofrijk water van 12°C. De dode eieren komen boven drijven en dienen manueel verwijderd te worden.

Na twee weken zijn de eitjes uitgegroeid tot larven. Tussen de ogen heeft de snoeklarve een soort van zuignap ontwikkeld. Het aanwezig zijn van hechtingsmateriaal in het biotoop is hier cruciaal. Is er geen hechtingsmateriaal aanwezig, dan is de larve ten dode opgeschreven. Vanaf het stadium van larven dient men te voederen, dit gebeurt in eerste instantie met levend plankton. Vanaf de zesde week worden de kleine snoekjes kannibalistisch en schakelt men over naar artificieel voedsel. Eens de vissen voldoende gegroeid zijn , worden ze in het kader van het herbepotingsplan en/of soortherstelprogramma's uitgezet in de Vlaamse openbare wateren. Nu is men er in het INBO in geslaagd om na drie dagen reeds over te schakelen op korrelvoeder.

De techniek van de kunstmatige voortplanting wordt in de visteelt toegepast om te komen tot een veel hoger overlevingspercentage. Van 70 tot 90%, terwijl dit in de vrije natuur vaak minder dan 1% bedraagt. Het opkweken van snoek is echter een dure aangelegenheid. Men moet immers over voldoende prooivissen beschikken wil de snoek een behoorlijke lengte bereiken. In Linkebeek is men er in geslaagd om snoeken op te kweken met droog voer en zo zwemmen er snoeken van +/- 50 cm rond die zijn opgegroeid zonder ook maar één levende prooi te verorberen.

Hopelijk komt er een dag dat het Centrum geen snoek meer hoeft op te kweken, want dit zou willen zeggen dat er genoeg snoek rondzwemt in de Vlaamse wateren en zichzelf in stand weet te houden. Maar persoonlijk denk ik dat we hier nog ver van huis zijn en kunnen we zeggen dat de mensen binnen de viskwekerij prima werk verrichten.


<- terug naar Lectuur