Slechte tijden breken aan voor het Zweedse mekka van de snoekvisser: de Scherenkust
Vertaling: Stan Weyns
Door het bijna compleet wegvangen van de kabeljauw uit de Baltische Zee zijn nu duidelijke effecten waar te nemen en is de zee eigenlijk in een ander ecosysteem veranderd. Sinds de kabeljauw bijna volledig verdwenen is, is de predatie op sprot (Sprattus sprattus) sterk afgenomen en zijn de aantallen explosief toegenomen. Sprot is nu de meest voorkomende vissoort. De predatie van sprot op dierlijk plankton en viseieren is zo groot dat er een kettingreactie onstaat. De larven van snoek en baars kunnen de concurrentie voor voedsel niet winnen en verhongeren. "De tendens is op veel plaatsen aan de scherenkust zichtbaar, van Kalmar in het zuidoosten tot ver naar het noorden voorbij Stockholm. Vislarven overleven gewoonweg niet" zegt Joakim Hjelm, afdelingshoofd van het zoutwaterlaboratorium van het Fiskeriverket in Lysekil, de overheid die verantwoordelijk is voor het visserijbeleid.
De bestanden zijn simpelweg bijna verdwenen. "De volwassen snoeken die overblijven paaien wel, maar de overleving van de larven is uiterst laag" zegt ook Hendrik Andersson, die visserijverantwoordelijke is in Stockholm. De woordvoerder van het sportvisserijverbond in Stockholm kan enkel vaststellen dat de vrees van vele sportvissers nu bewaarheid is. Het is geen goed plan om er verder te vissen.
Een ander effect van de toename aan sprot is dat het dierlijk plankton volledig weg gegeten wordt waardoor het plantaardig plankton enorm toeneemt. De commerciele visserij op kabeljauw leidt dus, via de voedselketen tot een van de grote problemen in de Baltische zee: algenbloei. De algenbloei die het Fiskeriverket al meer dan 30 jaar bestudeerd blijkt voornamelijk beinvloed te worden door dierlijk zooplankton en in mindere mate door eutrofiering (teveel voedingsstoffen in het water) of temperatuur...
Met uitzondering dan van de Scherenkust ziet de sportvisserij er rooskleurig uit in Zweden. Vooral in de meren in het binnenland verbeteren de bestanden met baars, snoek en snoekbaars. Het Fiskeriverket stelt in zijn rapport dat de sportvisserij op snoek nog kan toenemen, omdat er geen beroepsvisserij op deze soort is. Voor beekridder is de situatie iets minder goed en hier is de impact van de sportvisserij beduidend groter. Voor paling is de situatie helemaal slecht en moet ernaar gestreefd worden om de impact van de mens tot een minimum of nul te herleiden.
Vertaald van JOSEF EL MAHDI uit Svenska Dagbladet, 9 mei 2008.
Dit was dus mei 2008. Nu bijna 2 jaar later (vanaf 1 april 2010) legt diezelfde Fiskeriverket strengere vangstregels op voor bijna de hele Oostzee. Maximum 3 snoeken mogen nog meegenomen worden en snoeken kleiner dan 40 cm en groter dan 75 cm moeten teruggezet worden. Deze zijn te belangrijk voor de voorplanting van de soort. Overal worden projecten opgezet om paaiplaatsen aan te leggen en men gaat zelfs zover dat men probeert stekelbaars uit deze paaiplaatsen te houden om de overlevingskans van de jonge snoek te verhogen.
Wie het persbericht van Fiskeriverket van 1 maart 2010 wil lezen - in het Zweeds -: http://sottochsalt.fiskeriverket.se/Article.asp?ArticleId=152
